We zijn allemaal samen

Aan het begin wordt de vraag letterlijk gesteld: “What if it was only us?” Setting: een huisfeestje dat in theorie overal ter wereld zou kunnen plaatsvinden, maar in de praktijk toch alleen in een suburb in Amerika. Iemand op het feestje stelt de vraag op de toon waarop “What if…”-vragen – het genre dat groot gemaakt werd door Sex and the City’s “I couldn’t help but wonder…” Carrie Bradshaw – altijd gesteld worden; zeer vrijblijvend en quasi-serieus.

Wat als óns feestje de wereld zou zijn? Zou dat niet fijn zijn?

Het is een vraag die wel vaker opborrelt op bijeenkomsten van gelijkgestemden: waarom is niet iedereen zoals wij? Om voor mezelf te spreken: waarom houdt niet iedereen van rammelende gitaarbandjes, Amerikaanse korte-verhalenschrijvers, karnemelk en wielrennen? De wereld zou zo veel mooier zijn, op het eerste gezicht. In alle cafés karnemelk op de kaart, een tv met koers erop in de hoek, en ’s avonds – na de soep met brood (wie houdt er nou niet van soep met brood?) – optredens van schrijvers, singer-songwriters en bandjes, allemaal in de categorie ‘getalenteerd & sympathiek’. Zouden er trouwens echt mensen zijn die niet de lol inzien van in het café zitten? Zijn dat wel mensen?

Maar goed, we hebben het dus allemaal fijn op een festival

Festivals, zolang er geen sprake is van doorgesnoven gasten met bivakmutsen op (op Dour gebeurt het), zijn doorgaans wonderen van saamhorigheid. Simpel: je hoeft er immers niets. Ja, eten – meerdere keren per dag vraag je jezelf: wat zal ik eten? Waar heb ik zin in? Wat heb ik nog niet gehad? – en drinken: koffie, koffie, koffie en alcohol. Wat moet je verder?
 Schuilen, als je niet nat wilt worden als het regent.
 Af en toe een trui of jas aan- of uitdoen.
 Plassen en poepen (al bestaan er verhalen over mensen die het presteren een heel festival hun fecaliën op te houden, maar gezond kan dat niet zijn).
Universele behoeftes dus, de basis van de piramide van Maslow (niet iedereen drinkt koffie en alcohol, dat weet ik wel, maar nogmaals: waarom is niet iedereen zoals ik?), met meer hoef je je als mens niet bezig te houden op een festival. Optredens bezoeken misschien, maar alleen als je dat wilt. (Er bestaan mensen die een heel festival doorstaan zonder één optreden te zien; dronken gezwalk op de nachtelijke dreun van naamloze dj’s niet meegerekend.)

Maar goed, we hebben het dus allemaal fijn met elkaar op een festival. Maken een praatje met de barman, staan geduldig achter elkaar te wachten voor het toilet, krijgen spontaan bier van een hartelijke Ier (zijn er andere?). En dan, in die heerlijk vrijblijvende staat van zijn, willen we ook best eens iets geks proberen. Zoals in een tent slapen. Een gefrituurde sprinkhaan eten. Of meedoen aan een voorstelling participatietheater.

Zodra hij er niet meer is, zal iemand anders de sterkste zijn. Zo simpel is het

Want het publiek speelt de hoofdrol in The Fever. En ik ben duidelijk niet de held van het verhaal. Eerder een figurant. Maar, doordat de spelers veelvuldig dezelfde handelingen laten uitvoeren door steeds weer andere participanten uit het publiek (“Will somebody else join me?”, vragen ze keer op keer), denk ik: ik ben niet de enige. Iedereen is inwisselbaar, zelfs de stoere vent met tatoeages die durft te gaan staan als de vraag gesteld wordt: “Will the strongest person join me?” Zodra hij er niet meer is, zal iemand anders de sterkste zijn. Zo simpel is het. De jongste zal ooit oud zijn, de sterkste zwak, de moedigste bang. En iedereen dood, natuurlijk.

De humanistische boodschap van The Fever is niet bijster origineel, zoals dat gaat met humanistische boodschappen. We zijn allemaal iemands kind. We hebben allemaal dromen, angsten en onzekerheden. We moeten de Ander in de ogen durven kijken. Jaja, dat weten we nou wel, kun je denken. Gaap gaap.

Maar toch. Toch doet het iets met je – nee, met mij, maar aan de gezichten van de meeste medeparticipanten (mede-spelers?) te zien, niet alleen met mij – om op een gegeven moment met tientallen onbekenden gearmd door de toneelzaal te schuifelen (andermans handen op je schouders, andermans schouders in je handen), of om tegen het einde van de voorstelling met zijn allen een van de spelers van 600 HIGHWAYMEN (gelukkig, en vast niet toevallig, de kleinste) crowdsurfend van de ene naar de andere kant van de zaal te transporteren. We doen dit met zijn allen, is de even voor de hand liggende als onontkoombare boodschap waarvan het stuk doordrenkt is. En die komt, als je ervoor open wilt staan, wel aan. Al is het maar in de vorm van de zweetlucht van je medespelers die je neus binnenvliegt.

De enige dreiging vormt de kortstondige verschijning van een mysterieuze Ander

En tegelijkertijd, ondanks de humanistische inhoud en de weinig uitdagende sociale setting – met alleen maar mensen die ik, zonder natuurlijk ooit afbreuk te willen doen aan ieders geheel eigen menselijke uniciteit, stuk voor stuk zou bestempelen als ‘gelijkgestemden’; theaterfestivalbezoekers immers – ervaar ik wel degelijk steeds iets van dreiging.

Want ondanks dat alle aanwezigen meedoen, en iedereen dus meerdere keren van rol wisselt – toeschouwer wordt speler; speler wordt toeschouwer, et cetera – toch geldt voor iedere binnenkring van een paar spelers die gevormd wordt op de vloer, dat hij de grote buitenkring van zittend publiek buitensluit. Zij staan daar wel, wij staan daar niet. Wij zitten hier. Zij zijn anders dan wij. En ik zal toch niet de enige zijn die af en toe denkt: stel dat het vechten wordt, wie zou er dan winnen?

The Hunger Games, Lord of the Flies, het Stanford Prison Experiment, Die Welle, of ‘gewoon’ welke oorlog dan ook, ze worden in het stuk nergens genoemd – de enige dreiging vormt de kortstondige (en op mij weinig indruk makende) verschijning van een mysterieuze Ander (“They do not belong to us”) in de tuin voor het huisfeestje – maar waar mensen zijn, is geweld nooit ver weg.

Mijn directe buren durf ik pas goed te bekijken van veraf, als ze in de zaal staan

Dezelfde groep mensen die ervoor kiest om op een vrijdagavond op Noorderzon in het kader van een theatervoorstelling hand in hand in een kring te staan en een of ander sjamanistisch zonneritueel uit te voeren, of om daarnaar te zitten kijken, zou er in principe ook voor kunnen kiezen een mens te lynchen. Op zijn minst in theorie.

En misschien ligt het aan mij, maar mijn directe buren, degenen op de stoelen naast mij, durf ik pas goed te bekijken van veraf, als ze in de zaal staan. Niet als ze naast me zitten. Degene die ik het gemakkelijkste kan aankijken, zit helemaal aan de andere kant van de zaal. Op veilige afstand. Hoe dichterbij iemand zit, hoe groter de kans op écht contact – een gesprek, een aanraking, een vraag om hulp – en hoe angstvalliger ik probeer niet te opzichtig te kijken. Straks denken ze nog dat ik iets van ze wil. Of, nog erger, willen zij iets van mij. Ik kijk wel uit, en dus weg.

What if it was only us?” Als wensvraag – waren er maar alleen mensen als wij – is het volgens mij een vraag die voortkomt uit angst, angst voor die vervelende Ander die alles verpest. Maar als gedachte-experiment – wat als wij als enigen over zouden zijn? – kan de confrontatie met de Ander (zelfs als die deel uitmaakt van een Wij) niet uitblijven. De inrichting van de nieuwe samenleving – wie neemt of krijgt de leiding?; het bemachtigen van voedsel en onderdak (wie bouwt er een café?), en natuurlijk, de voortplanting – het blijft immers nooit bij “only us”; er moeten lastige en onherroepelijke keuzes gemaakt worden (zie het prachtige verhaal After The Plague van T.C. Boyle).

Zodra er echt iets spontaans gebeurt, wordt dat direct de kop ingedrukt

600 HIGHWAYMEN lijkt er in The Fever voor te kiezen om zich te concentreren op een wensbeeld van de goedheid van de mens. In het nagesprek zeiden de makers: “It’s about all of us just being together.” Maar hoe beperkt dat ‘us’ is, daar geven ze weinig rekenschap van. De Ander – met al zijn onhebbelijkheden – blijft op afstand staan, in de voortuin van het feestje. En zodra er iets echt spontaans gebeurt – een meisje dat wil meerennen met twee spelers die elkaar achtervolgen – wordt dat direct de kop ingedrukt; ze wordt vastgegrepen en de hele scène niet meer losgelaten. Uit angst voor wat ze zou kunnen doen? Om haar te beschermen, zeiden de makers. Maar waartegen? Tegen een aanval van vrolijkheid?

Het leek vooral een poging tot controle, zoals de makers ook tijdens het nagesprek steeds in control bleven, zowel van hun woorden als van hun emoties; ze willen raken, maar zelf niet geraakt worden. Als mens is dat hun goed recht. Bang zijn mag. Maar als theatermakers met een humanistische boodschap levend in deze ene schitterende wereld die we als mensheid tot onze beschikking hebben, is het zonde.

We zijn allemaal samen – ook de gekken, de proleten, de agressievelingen of overgevoeligen, de karnemelkhaters (zelfs die) en de onuitgenodigde partycrashers; je kunt je deur wel voor ze sluiten, maar weggaan zullen ze niet. Met Ramses Shaffy zingen ze het 600 HIGHWAYMEN toe: “Niet zonder ons, niet zonder ons, niet zonder ons … ”