Twee robots, honderd vragen

Door: Sisi van Halsema

In het Vrijdagtheater bezoek ik The Most Human van Robin Jonsson. Met donkere zeilen is de zaal verkleind, de toeschouwers zitten dicht op elkaar en vlak voor het podium liggen kussentjes voor wie het robotje wat beter wil zien. Deze voorstelling gaat namelijk over een robotje. Of beter gezegd, over de groeiende vriendschap tussen een mens en een robot.  

The Most Human is de tweede show over robot en mens op Noorderzon 2019. Maar hij is wel heel anders van aard dan Uncanny Valley van Rimini Protokoll, waarin de machineman een levensechte replica is van de Duitse schrijver Thomas Melle. Uncanny Valley gaat over heel andere thema’s dan The Most Human. Over het onheilspellende gevoel dat je krijgt als een robot bijna niet te onderscheiden is van een echt mens (met de nadruk op bijna). Op wat voor manier verschillen we van een robot? In hoeverre is ons bewustzijn anders dan dat van hem? 

Waarschijnlijk doen we, tijdens het kijken naar de voorstelling, ons uiterste best om ons beter of echter te voelen dan de robot. Althans, zo vult Melle’s robot-versie het voor ons in. Zelfs ons motief voor het applaus na de voorstelling trekt hij in twijfel: voor wie klappen we eigenlijk als er geen echt mens op de bühne staat? Met als gevolg: een aantal mensen klapt halfslachtig, de rest klapt niet, en wat je ook kiest, het komt waarschijnlijk door wat de robot net zei.

Robin Jonsson

Niels Knelis Meijer

Robin Jonsson
Stefan Kaegi (Rimini Protokoll) / Münchner Kammerspiele

Niels Knelis Meijer

Stefan Kaegi (Rimini Protokoll) / Münchner Kammerspiele

Misschien heeft die robot gelijk, en doe ik inderdaad mijn best om me echter te voelen dan hij

Soms zou het misschien makkelijk zijn om te geloven in determinisme om daarmee vrij te zijn van schuld en verantwoordelijkheid, maar ik geloof graag dat ik in het bezit ben van een vrije wil, een bewustzijn, een ‘zelf’ waarmee ik kan reflecteren op mijn eigen gedrag en gedachten. Dus misschien heeft die robot gelijk, en doe ik inderdaad mijn best om me echter te voelen dan hij. Wat hij zegt en doet is geprogrammeerd, wat ik zeg en doe zijn uitingen van mijzelf. Of ze nou spontaan zijn of overdacht, ze zijn in ieder geval van míj.

Terug naar The Most Human. In een aardedonkere zaal kondigt een paar blauwe lichtjes het begin van de voorstelling aan. Het zijn de ogen van de danser, Ludvig Daae, die zelf wel een robot lijkt door zijn manier van dansen en zijn starre blik. Hij en de robot bewegen aanvankelijk zonder muziek, elkaar afwisselend, met ledematen die zich onafhankelijk van elkaar bewegen. 

Als de muziek begint, versnelt ook het ritme van de dans. Zowel mens als robot worden steeds menselijker. 

Halverwege de dans bedenk ik me dat Daae al de hele tijd in zijn eentje staat te dansen. Zo echt voelt het robotje, met haar grote ogen en koddige manier van bewegen. Een gezamenlijk ‘awh’ klinkt als ze stilstaat en begint te kuchen, en een nog groter ‘awh’ als Daae zich over haar heen buigt, optilt en haar teder aan de oplader zet. Het blijft tenslotte een machientje. Wij moeten slapen, zij moet aan de stroom. 

Of is de oplader geen oplader, maar een middel om haar herinneringen te uploaden? Geprojecteerd op het zeildoek zien we de wereld vanuit de ogen van onze kleine vriendin. Ze wordt warmhartig opgenomen in een groep mensen, waar Daae een van is. Een narratief dat het overigens vaak goed doet in verhalen: een eenling die gevonden wordt door andersoortigen, zoals Mowgli uit The Jungle Book wordt opgevoed door dieren, en het meisje Ayla uit De Stam van de Holenbeer wordt gered door Neanderthalers. 

Maar dan zien we opeens onszelf op het doek, en het beeld draait mee met de bewegingen van de robot. De suggestie wordt gewekt dat ze, al is ze een robot, zich heus wel bewust is van het publiek dat naar haar kijkt. 

‘Zul je me niet vergeten?,’ vraagt het robotje aan een jongetje in de zaal. ‘Nee,’ zegt hij voorzichtig 

Daae en het robotje doen spelletjes met elkaar. Uit het robot-pantser klinkt muziek, Daae danst. Als de muziek stopt, staat Daae stil. Al gauw is de robot er flauw van, ze wil dansen met alle aanwezigen. Een bijzondere wending van de voorstelling. Je moet een behoorlijke barrière doorbreken om uit je veilige stoel te komen en je rol als toeschouwer even los te laten. Eerst weifelend, daarna met groeiend enthousiasme beginnen we te dansen. De intieme sfeer wordt sterker. Het robotje heeft ons in haar greep. Des te meer als ze zich richt tot een kleine jongen vooraan. 

Ze praat met hem en vraagt: ‘Zul je me niet vergeten?’ 
‘Nee,’ zegt de jongen voorzichtig.

Na die vraag bedenk ik dat The Most Human en Uncanny Valley elkaar daar misschien raken. Kan een robot gevoel hebben, of zelfs empathie? Of in ieder geval zodanig geprogrammeerd zijn dat de grens vervaagt tussen het gevoel en het geprogrammeerde? En in hoeverre is empathie niet ook bij ons geprogrammeerd, ofwel aangeleerd? Lang verhaal kort: wat betekent het mens-zijn? 

Ik voel meer sympathie voor het zo overduidelijk onmenselijke machientje dat voor ons staat te dansen tijdens The Most Human dan voor de levensechte robot uit Uncanny Valley, die eigenlijk veel meer op mij lijkt. Misschien heeft het te maken met de angst om in de – verre of nabije – toekomst vervangen te worden door machines en robots, de angst om als mens niet meer ‘nodig’ te zijn. Of misschien is het gewoon vreemd dat de Melle-robot bijna echt is maar net niet helemaal. 

Hoe dan ook, als The Most Human is afgelopen, zegt een vrouw uit het publiek: ‘Ik wil ook een robotje!’ Dat heb ik na Uncanny Valley niemand horen zeggen. 

 

The Most Human. Robin Jonsson. VRIJDAG theater. 
Uncanny Valley. Rimini Protokoll. Grand Theatre.