Interview met Marco da Silva Ferreira

Marco da Silva Ferreira | Hu(r)mano

De jonge prijswinnende choreograaf Marco da Silva Ferreira begon als urban danser, maar voelde zich daarin teveel beperkt. Ook zijn voorstelling Hu(r)mano gaat over het doorbreken van hokjes. “Ik hou niet van voorspelbaarheid.”

Urban dans zit in zijn lichaam, vertelt danser en choreograaf Marco da Silva Ferreira. “Als ik beweeg, beweegt die stijl altijd met me mee.” Dat is niet zo gek, want hij begon als danser in dat genre. Maar hoe meer hij daar mee bezig was, legt hij uit, hoe meer hij merkte dat die dansvorm hem in zijn creativiteit begon te beperken. “Urban dance gaat over competitie, over elkaar uitdagen, beter proberen te zijn dan een ander. Tegelijkertijd zit de vorm vast in bepaalde regels. Daar wilde ik me van losmaken.” Hij was als danser benieuwd wat hij nog meer kon met zijn lichaam, welke talen zijn lichaam nog meer kon spreken. “Ik was benieuwd of ik zelf mijn eigen dansvocabulaire kon ontwerpen. Ik wilde als het ware meer bij mezelf naar binnen kijken, in plaats van naar buiten, naar anderen.”

Ritualisme

Van daaruit ontstond het idee van zijn voorstelling Hu(r)mano waarin hij met drie bevriende dansers zoekt naar de verhouding tussen het collectieve en het individuele. “Ik wilde een collectieve choreografie maken op een individuele manier.” Hij koos voor dansers die dichtbij hem stonden, die zijn zoektocht snapten en waarvan hij wist dat ze hem in die zoektocht zouden vertrouwen. Bovendien, vertelt hij, zocht hij naar drie totaal verschillende individuen, op het gebied van gender, kleur, maar ook van lichaamstaal. “Elk mens, elk lichaam vertelt een ander verhaal, omdat het een andere geschiedenis heeft. Ik koos voor dansers met een sterke persoonlijkheid, maar die wel op min of meer dezelfde manier kijken naar dans als ik. Het zijn ook niet allemaal professionals. Ze zijn, net als ik, begonnen met dans, omdat ze het leuk vonden. Allemaal begonnen ze met urban, maar hebben zich ontwikkeld tot danser die het hele veld bestrijken tussen urban en modern.” Juist, omdat Ferreira en zijn dansers elkaar zo goed kennen, was er veel improvisatie mogelijk tijdens de repetities. “Ze hebben dezelfde instelling en dezelfde vragen als ik. Als ik iets vraag, begrijpen ze precies wat ik bedoel. De communicatielijnen zijn kort.”

Onderdeel van het proces was om goed naar elkaars bewegingen te kijken en daarover te praten. Vervolgens werd er met elkaar geïmproviseerd en materiaal verzameld. “Hoe meer mijn dansers aanbieden, hoe beter. Dan kan je immers beginnen met schrappen, met het schoon maken van de bewegingen. Ze begrepen bovendien heel goed waar ik naar zocht, naar welke patronen ik wilde dat er zouden ontstaan.”

Hij zocht naar materiaal die de spanning kon laten zien tussen het collectieve en het individuele. “Ik probeer veel homogeniteit te zoeken in de bewegingstaal. We probeerden qua taal zo dicht mogelijk bij elkaar te komen. Het is dus niet zo dat iedereen zijn eigen pasjes improviseerde en die nu dus doet. Het moest een universum worden.”

Groove

In die bewegingstaal combineert hij twee dansstijlen, vertelt Ferreira. “De eerste taal heeft te maken met een zekere groove, met veel popping en krachtige bewegingen. Maar ik zocht daarin ook naar lichamen die bijna door ruimte zouden zweven. De dansers moesten niet helemaal menselijk meer zijn. De andere taal gaat over het lichaam dat een soort ritualisme zoekt. Dat iets probeert te bereiken via zijn fysiologie: pijn, genot, het vermoeid raken, ademhaling die hoog wordt.” Voor hem staan de twee talen ook voor twee aspecten van de mens: “Het gaat mij om de mens als systeem: als een verzameling cellen, botten, huid en spieren.  Maar ook om de mens als een spiritueel wezen.”

Tussen die twee danstalen zit een zekere spanning. De muziek probeert dat universum bij elkaar te houden, legt hij uit. “Maar daar proberen we aan te ontsnappen door ons niet altijd iets aan die muziek gelegen te laten liggen. De dans heeft zijn eigen muzikaliteit die los staat van de muziek. Het kan bijna los van elkaar bestaan, zodat het allemaal net niet helemaal klopt. Ik hou niet van voorspelbaarheid.”

Dat niet-kloppende is dan iets waar hij actief naar zoekt tijdens de repetities, zegt Ferreira. “Als ik bijvoorbeeld voel dat een beweging of een segment wel op een bepaalde manier moet eindigen, dan verzet ik me daartegen. Ik probeer weg te komen van een te eenduidige boodschap. Ik heb niet de behoefte om moralistisch te zijn of een boodschap over te brengen.”

Daarom is dans voor hem ook zo’n fijne kunstvorm. “Dans is abstract. Het geeft je nooit meteen een duidelijke betekenis. Het is iets fysieks, maar wel op een rationele manier uitgewerkt. Zo vormt het een brug tussen het irrationele en het rationele. Als mens ben ik soms ook rationeel en soms niet. Mensen zijn dubbele wezens.”

Interview | Robbert van Heuven