Interview Luis Biasotto | África

Het is de onmogelijkheid die als rode draad de verschillende delen verbindt.

- Luis Biasotto

Niets is onmogelijk. Dus het moet ook mogelijk zijn een dansvoorstelling over het thema van het onmogelijke te maken. Toch was dat niet zijn oorspronkelijke uitgangspunt, vertelt de Argentijnse choreograaf Luis Biasotto.

Het werk van choreograaf en theatermaker Luis Biasotto is ongrijpbaar, bizar en fascinerend. Omdat het ergens in een spannende ruimte zweeft tussen dans en theater. Dat Biasotto het ergens tussen die domeinen zoekt, is niet zo gek. Hij studeerde zowel voor choreograaf als voor theatermaker. “Dat ik in mijn werk zoek naar een tussenvorm tussen theater, dans en performance heeft zeker met mijn brede opleiding te maken”, zegt Biasotto. “Die zoektocht naar die vorm is terug te vinden in al mijn werk. Bovendien houd ik er niet van als mensen mij in bepaalde hoek willen drukken. Of dat nou dans of theater is. Dat zoeken is voor mij ook een manier om niet in zo’n hoek terecht te komen.”

Die zoektocht kreeg in het werken aan África vorm door de spelers waarmee hij werkte bewust niet te laten doen waar ze goed in zijn. Biasotto: “Ik ben namelijk niet alleen geïnteresseerd in die nieuwe vorm, maar vooral ook naar het onvoorspelbare werkproces dat tot zo’n nieuwe vorm leidt. Daarom werkte ik aan África met verschillende performers die elkaar nog niet kenden en dus ook nog niet eerder met elkaar hadden samengewerkt. Ook hebben de performers totaal verschillende achtergronden. Er zijn acteurs bij, een klassieke danseres, makers die meer uit de hoek van de performance komen. Met allemaal werkte ik aan een solo in een discipline die niet die van henzelf was. Zo liet ik de klassieke danseres veel improviseren en liet ik de andere dansers vooral acteren. Ik wilde ze bewust wegdrijven van hun eigen veld. Als je ergens vertrouwt mee bent en er goed in bent, dan zit er toch een automatisme of een gemak in wat je doet. Ik wilde ze van dat gemak weghouden. Zo ontstond er een vrije ruimte die voor iedereen nieuw was.”

Vragen die onmogelijk te beantwoorden zijn

De solo’s waaraan Biasotto met zijn spelers werkte, waren gebaseerd op verschillende moeilijk te beantwoorden vragen, zoals: kun je onzichtbaar worden op het podium? Of: hoe kan ik een ander zijn? Of: hoe kan ik opnieuw beginnen? Biasotto: “Het was uiteraard nooit de bedoeling om die vragen ook daadwerkelijk te beantwoorden. Ze waren vooral heel goed materiaal om mee te improviseren. Dat die vragen onmogelijk zijn om te beantwoorden, maakt ze als werkmateriaal wel veel sterker. De vraag of het mogelijk is om origineel te zijn, is bijvoorbeeld een hele goede basis om op te improviseren. Maar ik liet spelers ook fragmenten terughalen uit eerder voorstellingen waarin ze hadden gespeeld of vroeg ze om zich te herinneren hoe ze bewogen toen ze klein waren. Met elke performer was het werkproces weer anders en ik kwam met allemaal uiteindelijk ergens anders uit dan ik van te voren had gedacht. Zeker omdat de druk hoog was door een korte repetitieperiode. Maar dat maakte het proces wel interessanter.”

Aan het eind van de repetitieproces was het zaak om die door improvisatie verkregen losse fragmenten tot een voorstelling te smeden. Biasotto: “Toen we de delen samenbrachten, bleken de sterkste delen niet de performances zelf te zijn, maar de overgangen tussen die verschillende delen. Dat is iets wat ik onmogelijk van te voren had kunnen bedenken. Toen bleek pas dat het die onmogelijkheid is die als rode draad de verschillende delen verbindt. Het is wel een rode draad die vaker in mijn werk terugkomt.”

Het werk is nooit echt ‘af’

Juist omdat Biasotto’s werk zo intuïtief tot stand komt, is het eigenlijk nooit echt ‘af’, vertelt hij. Door de voorstelling vaker te spelen voor een publiek, komen er nieuwe betekenislagen bovendrijven, waarmee hij vervolgens weer aan de slag kan. “De voorstelling heeft nu nog niet zo vaak gespeeld, dus ik heb nog niet de tijd en ruimte gehad om er afstand van te nemen. Het is best ingewikkeld om van buitenaf opnieuw naar je eigen voorstelling te kijken, dus dat duurt altijd even. Na een tijdje kan ik dan weer dingen in mijn werk zien, die ik eerder nog niet zag. Op basis daarvan blijf ik aan de voorstelling werken. Het kan dus best zijn dat de voorstelling die op Noorderzon staat, nogal verschilt van hoe hij er nu uitziet.”

Tekst | Robbert van Heuven