Interview met Lia Rodrigues

Lia Rodrigues | For the sky not to fall

Het leven in de sloppenwijken van Rio en de verdwijnende stammen in het Braziliaanse regenwoud vormden samen de inspiratiebron voor de dansvoorstelling For the sky not to fall (Para que o céu não caia) van choreografe Lia Rodrigues. Het resultaat is een intiem ritueel, dicht op het publiek. “Ik ben niet alleen kunstenaar. Ik woon ook in de wereld.”

“Wat kan ieder van ons doen om de hemel hoog te houden? Er is weinig tijd te verliezen, voordat alles instort. De hemel valt al naar beneden en hier zijn wij: degenen die er onder wonen.” Het is een citaat van Davi Kopenawa, shamaan van het Yanomami-volk in het Amazonegebied. Het leefgebied van het volk wordt steeds kleiner en het wordt daarmee in zijn voortbestaan bedreigd. Het boek dat Kopenawa schreef inspireerde choreografe Lia Rodrigues. “In dat boek”, zegt ze, “vertelt hij het mooie en tragische verhaal van hoe zijn volk naar de wereld kijkt en hoe het langzaam verdwijnt.” Het boek werd een van de uitgangspunten van de voorstelling For the sky not to fall, wat zoiets betekent als: ‘Zodat de hemel niet valt’.

Een andere inspiratiebron voor Rodrigues was haar werk in de favela’s van Rio de Janeiro. Ze richtte er twaalf jaar geleden een dansschool op waar inmiddels 300 studenten dansonderwijs volgen. “Ik ben niet alleen kunstenaar”, zegt ze, “Ik woon ook in de wereld. Met die school neem ik als burger mijn verantwoordelijkheid. Dat vind ik noodzakelijk om te doen: mijn land een beetje beter maken. Op die plek komen mijn leven als burger en als kunstenaar samen.”

Mysterie

Zowel de indianen in het Amazonegebied als de bewoners in de favela’s zijn vergeten groepen, zegt Rodrigues. “Er is een compleet gebrek aan aandacht van de overheid voor beiden. De Braziliaanse regering doet op dit moment alle stappen teniet die we in de aflopen jaren maakten om de Braziliaanse samenleving gelijkwaardiger te maken. Deze groepen zijn door hen verlaten.”

Is er nog wel een betere wereld mogelijk dan dit, vroeg Rodrigues zich naar aanleiding van die twee groepen af. “Kunnen we de wereld veranderen? Ik ging met mijn leerlingen de favela’s in om met de bewoners te spreken over hun leven en hun dromen. Hoe kun je er samen voor zorgen dat de hemel niet naar beneden valt? Stel dat je ziek bent en iemand kookt voor je, dan houdt hij al een beetje die vallende hemel tegen.”

Hoe van al die inspiratie uiteindelijk een dansvoorstelling ontstaat, is een beetje het mysterie van de kunst, zegt Rodrigues. “Werken aan een voorstelling is werken als in een laboratorium. Negen maanden lang brengen ik, de dansers en de andere medewerkers onze ervaringen bij elkaar en proberen samen ideeën vorm te geven.” In ieder geval is de voorstelling geen letterlijke vertaling van Kopenawa’s boek. “Het gaat ons er niet om dat de voorstelling ‘logisch’ is in de letterlijke zin van het woord. We proberen onze gezamenlijke ideeën te organiseren. Een voorstelling kan zo een hele andere kant opgaan dan je van te voren hebt bedacht. Soms zegt iemand: ‘laten we dit eens proberen’ en dat werkt dan.”

Goud

Zo wilde één van de dansers graag met kruiden werken. “Ze nam op een dag kurkuma, geelwortel, mee. Ze kleurde helemaal goud. Dat leverde een spel met kleuren op, maar ook met geuren.” Ook koffie en meel worden in de voorstelling gebruikt. “We gebruiken alle zintuigen. Maar wat het precies betekent, hangt van de afzonderlijke toeschouwer af. Of je bekend bent met de koloniale geschiedenis van Brazilië, bijvoorbeeld, maakt uit voor hoe je de voorstelling ziet.”

Een ander aspect dat belangrijk was voor Rodrigues, is de nabijheid van publiek. De dansers bewegen tussen de toeschouwers door. “Deze voorstelling vroeg om intimiteit. We wilden oogcontact kunnen maken om het publiek zo bij de voorstelling te betrekken. Dat biedt ook een ander perspectief dan wanneer je op een tribune zit.”

Het resultaat is een strak gechoreografeerde, maar associatieve dansvoorstelling. Juist die combinatie tussen strakke choreografie en fluïde betekenis zorgt ervoor dat ook Rodrigues nog steeds nieuwe betekenissen in haar eigen werk ziet. “Een voorstelling is geen boek dat je naar de uitgever brengt en dan ben je klaar. Door het vaker te spelen, maar ook door het verstrijken van de tijd verandert de betekenis van de voorstelling. Het hart van de voorstelling is sterk: alles is vastgelegd, alles wordt strak geteld. Een dansvoorstelling is als een rivier: van veraf lijkt hij altijd hetzelfde. Maar kom je dichterbij dan zie je hem stromen en zie je hem continu veranderen. Of je het ziet hangt van je perspectief af, maar alles is altijd aan veranderingen onderhevig.”