Interview met Teatro Instabile Di Aosta

Teatro Instabile Di Aosta | Quintetto

In de voorstelling Quintetto construeert de Italiaanse danser en choreograaf Marco Chenevier samen met zijn publiek de voorstelling die hij eigenlijk had willen maken. Daarmee gaat de voorstelling voor hem over de verhouding tussen samenleving en kunst, zegt hij. “We luisteren te beleefd naar wat ons gezegd wordt.”

En toen was er geen geld. De Italiaanse choreograaf en danser Marco Chenevier had met zijn eigen gezelschap Teatro Instabile Di Aosta een kleine voorstelling gemaakt die hij het liefst aan festivals en theaters wilde verkopen. Maar met vijf dansers en twee technici was het een te dure productie om te reizen. “Dan zeiden festivals: ‘We hebben driehonderd euro, kom je spelen?’”, vertelt Chenevier, “Maar voor dat geld konden we niet komen. En toen dacht ik: dan kom ik wel in mijn eentje.”

Zo ontstond Quintetto, een uitgeklede versie van de voorstelling die Chenevier eigenlijk had gemaakt, maar dan zonder andere dansers en zonder technici. Chenevier: “Ik probeer alle artistieke keuzes uit de vorige voorstelling te reconstrueren, maar daar heb ik het publiek bij nodig. Dat moeten we natuurlijk wel repeteren en dat is deel van de voorstelling.”

Uit elkaar rafelen

Op die manier toont Quintetto wat veel voorstellingen juist verbergen: dat elke voorstelling een complexe logistieke puzzel is, waar veel meer mensen bij betrokken zijn dan degenen op het toneel. “We laten zien wat er allemaal wel niet bij een voorstelling komt kijken”, legt Chenevier uit. “Dansers, technici, vormgeving, licht, geluid. We rafelen het in Quintetto allemaal uit elkaar. Zo benadrukken we dat theater een taal is die uit heel veel verschillende lagen bestaat: tekst, beweging, licht.”

Het tonen van die complexiteit is belangrijk, denkt hij, omdat het aandacht genereert voor details die je anders al snel over het hoofd zou zien. “Als ik naar een boom kijk, ben ik na vijf minuten verveeld. Maar als een expert je over die boom vertelt, dan wordt je aandacht veel langer vastgehouden, juist omdat hij je er zoveel nieuws over kan vertellen.”

Een ander thema dat Chenevier hoopt op te werpen met Quintetto, vertelt hij, is de verhouding tussen kunst en samenleving. Hij vertelt hoe hij voor zijn werk bij zijn eigen gezelschap nauwelijks betaald krijgt en zijn eigen werk financiert door ook te dansen bij grote regisseurs en gezelschappen, zoals Romeo Castalucci. “In Italië is er nauwelijks geld voor kunst. Ik heb genoeg collega’s die als bijbaantje in een restaurant werken. Het theater lijdt niet onder bezuinigingen of weinig geld voor kunst. Het wordt toch wel gemaakt. Het zijn de mensen die het maken die onder geldgebrek lijden. De voorstelling toont dat kunst prima zonder geld af kan, maar dat we er desondanks om moeten vragen. Wij moeten ook leven.”

Hij wijst erop dat het misschien een goed idee zou zijn om arbeid en inkomen van elkaar los te koppelen. “Zoals ook de voorstelling bijna een marxistische deconstructie is waarin makers en voorstelling van elkaar worden losgekoppeld. Er wordt gelukkig steeds meer over basisinkomen gepraat. Niet alleen in het theater, maar overal zouden dingen beter worden, als we meer de tijd zouden hebben om er aandacht aan te schenken. Maar die tijd is er niet, omdat er geld moet worden verdiend. Ik zou heel graag vrijwilligers werk doen, of meer tijd met mijn familie doorbrengen.”

Crisis

Chenevier ziet Quintetto dan ook als een manier om met het publiek na te denken over de collectieve verantwoordelijkheid die we hebben voor de omstandigheden waar we in leven. Juist daarom vindt hij de bijdrage van het publiek aan zijn voorstelling dan ook zo belangrijk. “Ik denk dat in neoliberale landen de theater in een crisis zit”, zegt hij. “Het theater is veel te passief en is daarin een spiegel van de maatschappij. We luisteren te beleefd naar wat ons wordt verteld, zonder terug te spreken. In het theater zie je dat terug.”

Als voorbeeld vertelt hij over zijn ervaringen met Frans en Italiaans theaterpubliek. “In Frankrijk stapt het publiek op als ze een voorstelling niet goed vinden. Net zoals ze massaal de straat opgaan als de regering iets doet dat ze niet bevalt. In Italië is iedereen stil in het theater. Net zoals ze stil zijn als hun rechten worden aangetast.” Juist daarom wil hij dat de relatie tussen hem en zijn publiek een actieve is. “Het is belangrijk dat je autonoom bent. Dat je de eigenaar van jezelf wordt. Dat je er zelf voor kiest om te zeggen: ‘Wat een stomme voorstelling, ik ga bier drinken’. Of dat je blijft zitten om te genieten van de poëzie van een voorstelling.” Het publiek, zegt hij, is als mede-eigenaar altijd mede-verantwoordelijk voor een voorstelling. “Toeschouwers realiseren zich niet altijd hoe belangrijk ze zijn voor het theater. Zelfs als ze passief zitten te kijken.”